BimSem? Geschiedenis Ontstaansgeschiedenis

Ontstaansgeschiedenis van BimSem


Het huidige Berthoutinstituut-Klein Seminarie Mechelen, afgekort BimSem,  is in 1988 ontstaan door de fusie van drie aartsbisschoppelijke instellingen. De eerste was het Klein Seminarie in de Bleekstraat 5. De tweede was de Katholieke Normaalschool Mechelen, opgericht ‘Onder den Toren’, in 1967 overgebracht naar Bleekstraat 3, waar een nieuw gebouw werd gezet en sindsdien genoemd. De derde was de Vrije Middelbare School,  voordien gelegen aan de Schuttersvest, en nadien eveneens verhuisd naar de  Bleekstraat 3. Vanaf de verhuizing gebruikten deze laatste twee scholen, die, pedagogisch samengingen , de naam Berthoutinstituut.

Naast andere raakpunten hebben deze drie instellingen een identieke historische oorsprong. De drie scholen zijn immers ontstaan in een gelijkaardige historische context, nl. als een reactie van de katholieke gemeenschap op een vrijzinnige anti-klerikale schoolpolitiek, met drie schooloorlogen als trieste hoogtepunten.

Aan de oprichting van het Klein Seminarie in 1829 was een lange voorgeschiedenis voorafgegaan. De vroegere ‘Latijnse School’ of ‘Grootschool’, gelegen in de Schoolstraat in de onmiddellijke omgeving van het aartsbisschoppelijk paleis en de Sint-Romboutskathedraal en beheerd door de oratorianen, was in 1792 door de Franse bezetter gesloten omdat onderwijs in de geest van de Franse Revolutie een staatszaak was. Maar na het concordaat werd deze school heropgericht in de Begijnenstraat (1814) en nadien in de Sint-Jansstraat (1816).

Willem I, koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, ontketende door zijn laïciserende onderwijspolitiek een ware schooloorlog in het overwegend katholieke Zuiden. Daar werden door het Koninklijk Besluit van 14 juni 1825 alle katholieke middelbare schoolinstellingen gesloten. Het concordaat van 1827 maakte een einde aan deze schooloorlog, wat aartsbisschop François-Antoine de Méan toeliet door zijn mandement van 13 oktober 1829 het Klein Seminarie te heropenen. Als nieuwe vestigingsplaats opteerde hij voor twee historische panden die hij enkele jaren voordien met eigen kapitaal verworven had uit de nalatenschap van de in 1825 overleden Jean-Ernest Coloma, nl. het Hof van Hoogstraten en het Hof van Coloma, een uitgestrekte driehoek tussen de Bleekstraat, de Voochtstraat en de Zandpoortvest.

De oprichting van de Katholieke Normaalschool ‘Onder den Toren’ in 1879 dient gesitueerd in de politiek-religieuze strijd tussen katholieken en liberalen, die de Belgische politiek in de tweede helft van de negentiende eeuw beheerste. De liberalen namen aanstoot aan de vaststelling dat de katholieken meer en meer het maatschappelijk leven domineerden met hun uitgebreid netwerk van liefdadigheidsinstellingen, hospitalen en scholen. In de sector van het onderwijs leidde dit in de jaren 1879-1884 tot een ware schooloorlog. Socialisten waren bij deze ideologische strijd niet betrokken, omdat zij zich pas vanaf de verkiezingen van 1894, voor de eerste maal gehouden volgens het algemeen meervoudig stemrecht, konden mengen in het parlementair debat.

De verre oorzaak van het schoolconflict was de tegenstrijdige interpretatie die katholieken en liberalen gaven aan het principe van vrijheid van onderwijs dat in onze grondwet was opgenomen.

Katholieken vonden dat de staat het privé-initiatief  (nl. het vrij katholiek onderwijs) moest aanmoedigen en financieel mogelijk maken. Van liberale zijde werd gesteld dat de staat als taak had een neutraal, officieel onderwijsnet op te richten en te beheren. Vrij onderwijs kon weliswaar niet worden verboden, maar diende volledig door de initiatiefnemers (de katholieke gemeenschap ) te worden bekostigd. M.a.w. de liberalen knoopten terug aan bij de ideeën van de Verlichting en van de Franse Revolutie en lieten zich inspireren door de – weliswaar uiteindelijk mislukte - pogingen van de Oostenrijkse keizer Jozef II en van de Nederlandse koning Willem I.

Bij de verkiezingen van 11 juni 1878 behaalden de radicaal-liberalen een volstrekte meerderheid in het parlement, wat resulteerde in een homogeen liberale regering o.l.v. Frère-Orban.

Als haar belangrijkste opdracht beschouwde deze regering het volledig laïciseren van de Belgische samenleving. Dit betekende concreet het uitvaardigen van allerlei maatregelen teneinde de invloed van de katholieke Kerk volledig uit samenleving en staat te bannen. Vanzelfsprekend waren het onderwijs en de schoolwetgeving hierin een essentiële factor.

Op 10 juli 1879 werd de Wet op het Lager Onderwijs afgekondigd, een ontwerp van onderwijsminister Pierre Van Humbeeck. Deze wet bepaalde dat een gemeente voortaan geen lagere school meer mocht ‘aannemen’ of subsidiëren, dat in elke gemeente een officiële school moest worden opgericht en dat in die officiële scholen alleen onderwijzers met een diploma van een rijksnormaalschool mochten lesgeven. En ten slotte: het godsdienstonderricht werd van het leerprogramma geschrapt.

Onmiddellijk zetten de katholieken een actie in tegen deze ‘ongelukswet’, hiertoe aangespoord en geleid door het Belgische episcopaat o.l.v. de Mechelse kardinaal-aartsbisschop Victor-August Dechamps. Zo werden in steden en vooral in plattelandsgemeenten de officiële scholen geboycot en werden overal vrije,  katholieke lagere scholen opgericht. Er ontstond dus ook een dringende nood aan eigen katholieke normaalscholen om voor deze scholen de nodige onderwijzers op te leiden. Het is in die context dat de oprichting van de Katholieke Normaalschool van Mechelen dient gesitueerd te worden.

De initiatiefnemer was kanunnik Théodore-Anselme Van Campenhout, oud-leraar en oud-superior van het Klein Seminarie en sedert zijn vertrek aldaar in 1868 plebaan-deken van Sint-Rombouts. Met ingezamelde gelden werd in de onmiddellijke omgeving van de kathedraal een uitgestrekte eigendom aangekocht van de weduwe Verhaegen. Het betrof een vroeger adellijk hof, het Hof van Musene. Het pand kreeg later andere functies en namen: het Hof van Saksen, het Spaans Gasthuis, arsenaal en wapenopslagplaats. Het diende zelfs een tijd als ‘werkplaats’ van de nieuwe Mechelse vrijmetselaarsloge La Concorde. In 1967 verhuisde de Katholieke Normaalschool naar de Bleekstraat en kreeg ze ook een andere naam: het Berthoutinstituut, een historische naam die refereerde naar het nabijgelegen Berthoudersplein.

Ook het ontstaan in 1957 van de derde zuil van de fusieschool BimSem, nl. de Vrije Middelbare School, houdt verband met de ideologische schoolstrijd.

In 1955 nam Leo Collard, minister van Opvoeding en Onderwijs in de linkse socialistisch-liberale regering, diverse maatregelen die neerkwamen op het uitbreiden van het officiële onderwijsnet en het beperken van mogelijkheden van het katholieke onderwijs. Hierdoor ontstond een ware concurrentieslag tussen de twee schoolnetten.

In het katholieke kamp werden de krachten gebundeld in het ‘Comité voor Vrijheid en Democratie’ dat op 10 juli 1955 in Brussel de legendarische anti-Collardbetoging organiseerde, een mars op Brussel die ca. 250.000 betogers kon mobiliseren.

Om de leerlingen die uit de Oefenschool van de Katholieke Normaalschool kwamen op te vangen en in het katholieke net te bewaren, werd in 1957 in het vrijgekomen gebouwencomplex van de Franstalige schoolinstelling van de Dames de Marie – niet langer meer houdbaar in het Nederlandse taalgebied -  gelegen op de hoek van de Oude Brusselsestraat / Schuttersvest, een lagere middelbare cyclus opgericht, in de hoop dat die leerlingen nadien de stap zouden zetten naar een onderwijzersopleiding in de  Katholieke Normaalschool.

De ondertekening van het Schoolpact op 20 november 1958 – niet toevallig het jaar van de Wereldtentoonstelling Expo 58 - en de latere herzieningen en actualiseringen van dit politieke akkoord, maakten ten slotte een einde aan deze politiek-ideologische oorlog. Begrippen zoals vrije keuze, gelijkheid tussen de netten,  verdraagzaamheid en pluralisme zouden voortaan het onderwijslandschap kenmerken.

Michel Geerts, lic. hist.